Het Italiaanse bloed in de Belgische sport

De Italiaanse diaspora heeft aan België een hele generatie van sportlui geschonken die een opmerkelijke carrière in ons land hebben uitgebouwd, vaak zelfs in het shirt van onze nationale ploeg. De Italianen die naar ons land zijn gekomen en hun nakomelingen hebben meestal de Belgische nationaliteit gekregen en vaak werden zij uitstekende ambassadeurs van België. We brengen hier hulde aan de bekendsten onder hen en wij zeggen hen: Grazie!

Het Italiaanse bloed in de Belgische sport

© photonews

Felice Mazzu

Felice Mazzu

© photonews

Felice Mazzu had het zijn vader beloofd: ooit word ik trainer in de eerste klasse. En die belofte maakte hij waar. Pasquale, de vader van Felice, kwam uit Calabrië naar de mijnen van Charleroi. Vol trots zag hij zijn zoon de sportieve baas worden van Charleroi, dé ploeg van de streek. Geen evidente zaak, na passages van Felice bij ploegen als CS Braine, Ukkel, Tubeke en White Star.
 
“Waar ik het meest fier op ben, is dat Mazzu een bekende naam in Charleroi is geworden. Niet voor mij, maar voor mijn vader. Hij vertrok uit een dorpje van 50 personen in Calabrië dat vernield werd door de oorlog. Vandaag ontvangt hij gasten in zijn kleine arbeiderswoning, mensen die hem om een handtekening of een shirt komen vragen. Als hij naar de markt gaat, dan geven de mensen hem gratis groenten. Waar ik bijzonder fier op ben, is dat ik mijn vader een naam heb gegeven. Vandaag is hij gelukkig. En als hij dan vier of vijf jaar langer kan leven, dan maakt dat mij nog trotser. De rest is niet zo belangrijk,” zo vertrouwde hij L'Avenir toe toen hij bij de Zebra's aankwam.
 
Op donderdag 7 februari, om 20.30 uur, kan je op Proximus TV kijken naar de tweede aflevering van onze reeks 'Tandem', over de innige band tussen Felice Mazzu, trainer van de Zebra's, en Mario Notaro, zijn T2.

Lees hier meer over de Tandem-uitzending met Felice Mazzu en Mario Notaro

Enzo Scifo

Enzo Scifo

© photonews

De eerste naam die we in gedachten krijgen als we denken aan een Belgische sportman met Italiaanse roots, is Enzo Scifo. “De kleine Pelé vanTivoli?”, geboren en getogen in La Louvière, is altijd sterk verbonden gebleven met Sicilië. “Mijn grootvader heette Vincenzo. Die naam staat op mijn identiteitskaart, maar ze hebben me altijd Enzo genoemd, behalve in Italië,” zo vertelde hij aan So Foot bij het EK 2016 toen de Belgen tegenover de Italianen stonden. “Ik ben een Italo-Belg, maar laat mij toch duidelijk zijn: ik ben een supporter van de Belgen”.
 
Tussen het begin van zijn carrière, op zijn 17e, bij Anderlecht, en het einde ervan bij Charleroi speelde hij vier Wereldbekers met België (waaronder het onvergetelijke Mexico 1986) en speelde hij bij Inter, Bordeaux, Auxerre, Torino en Monaco. De kleine voetballer uit La Louvière werd een van de grootste spelers van het Belgische voetbal die zijn roots nooit verloochende. Toch verklaarde hij in 2002 aan La Libre Belgique: “Italië blijft voor mij het mooiste land ter wereld, maar toch ben ik fier een Belg te zijn. Als er iets is waar ik nooit spijt van heb gehad, is dat ik op mijn 18e genaturaliseerd werd tot Belg.”

Walter Baseggio

Walter Baseggio

© photonews

Zijn familie was afkomstig uit de buurt van Treviso in de Veneto en vestigde zich in Clabecq.
“Ik ben geboren uit Italiaanse ouders. Mijn vader kwam uit het noorden en mijn moeder uit het zuiden van Italië. Als lid van de tweede generatie werd ik op mijn 14e Belg. En bijna meteen werd ik opgeroepen voor de nationale ploeg van België. Ik ben trots om Belg te zijn. België heeft mij alles gegeven. Hier ben ik opgevoed en opgeleid, maar ik vergeet nooit mijn roots,” zo vertelde Walter Baseggio aan Sudpresse tijdens het EK 2016.
 
Zijn tweede thuis werd het Astridpark, waar de elegante en efficiënte middenvelder de harten veroverde van de supporters van Anderlecht.
 
Zijn tien seizoenen bij paars-wit, tussen 1996 en 2005, werden heel succesvol: in totaal werd hij 4 keer kampioen met Anderlecht en haalde hij 27 caps bij de Rode Duivels. Na een passage bij Treviso en een mislukte terugkeer bij de club van zijn hart tekende Baseggio bij Moeskroen, waar schildklierkanker een einde aan zijn carrière maakte. Gelukkig genas hij en als voetbalanalist volgt hij het Belgische en internationale voetbal.

Silvio Proto

Silvio Proto

© photonews

Silvio werd als Italiaan geboren en op 1 januari 1985 tot Belg genaturaliseerd. Momenteel speelt hij bij Lazio Roma. Het grootste deel van zijn carrière speelde hij bij Anderlecht.
 
Hij is ontegensprekelijk een van de grootste figuren van de Italiaanse gemeenschap van het Belgische voetbal. Net als Scifo werd hij ontdekt bij La Louvière. Met die club won hij de Beker van België. In totaal speelde hij elf jaar bij Anderlecht (onderbroken door een kleine passage bij Germinal Beerschot), waar hij 14 prijzen pakte. Drie keer werd hij verkozen tot doelman van het jaar. Als hij iets betreurt, dan is het dat hij nooit voor de nationale ploeg heeft gespeeld. Maar zijn liefde voor Anderlecht en België zal altijd blijven bestaan.

De broers Brogno - Dante en Toni

De broers Brogno - Dante en Toni

© photonews

De familie van Dante en Toni Brogno is afkomstig uit Calabrië: hun grootvader kwam naar België om te werken in de mijnen. De familie heeft altijd in Marchienne-au-Pont gewoond. De twee broers zijn onafscheidelijk verbonden met de Belgische voetbalcompetitie. De Brogno's werden de topschutters aller tijden van Charleroi (Dante) en Westerlo (Toni): het bewijst hun neus voor goals. Toni is de enige die Belgisch international werd (7 keer), maar Dante had wellicht verdiend om te worden opgenomen in de selectie voor het EK 2000 na een uitzonderlijk seizoen bij zijn club. Robert Waseige oordeelde daar anders over. Dante Brogno stopte met voetballen in 2001, als legende van de Carolo's: hij scoorde meer dan 100 keer voor de Zebra's. Toni voetbalde tot 2006.

François Sterchele

François Sterchele

© photonews

Deze Luikenaar is een van de grootste talenten van Italiaanse afkomst die het Belgische voetbal heeft gekend, maar kwam tragisch om het leven bij een verkeersongeluk op 8 mei 2008. Hij speelde bij Club Brugge toen hij overleed.
 
François Sterchele stak zijn liefde voor Italië en zijn roots nooit onder stoelen of banken. De supporters hielden van zijn flamboyante stijl en zijn manier om een doelpunt te vieren, met de beweging met zijn hand aan zijn oor die hij leende van zijn idool, Luca Toni.
 
Sterchele was een van de publiekslievelingen in het Belgische voetbal, door zijn manier van spelen en zijn persoonlijkheid. Ondanks alle blingbling bleef hij eenvoudig en wist hij zich overal aan te passen, zowel in Vlaanderen als in Wallonië. Een perfect symbool voor de eenheid van ons land dat vaak toch ook verdeeld is.

Luigi Pieroni

Luigi Pieroni

© photonews

Ook al eindigde zijn carrière in mineur, heeft Luigi Pieroni, een andere Luikenaar van Italiaanse origine, zijn sporen nagelaten in onze competitie. In zijn eerste seizoen bij Moeskroen, in 2003-2004, werd hij meteen topschutter: hij ontpopte zich toen tot een van de grootste talenten van het Belgische voetbal. Na vier jaar in de Ligue 1 en 25 selecties bij de nationale ploeg maakte hij een mislukte comeback in België, bij Anderlecht. Later kon hij zijn carrière bij AA Gent en Standard niet een nieuw elan geven.

Sébastien Pocognoli

Sébastien Pocognoli

© photonews

De aanvoerder van Standard (momenteel geblesseerd) is de kleinzoon van Italiaanse immigranten. Hij sprak al over zijn ouders en voorouders toen hij in 2006 bij Racing Genk arriveerde.
 
“Mijn grootvader aan vaders kant had op erg jonge leeftijd zijn beide ouders verloren. Hij werkte als houthakker in de bossen rond Matellica, in de regio Marche, toen er op een dag een affiche ophing in het dorp. Er ging een trein naar België, naar waar precies wist hij niet, maar hij zag de kans schoon om te ontsnappen aan het armoedige bestaan ginder. In Matellica had hij geen toekomst. Hier in België leerde hij mijn grootmoeder kennen, die op dezelfde manier uit Italië was vertrokken.”
 
'Poco' werd een echte globetrotter van het internationale voetbal en speelde bij Seraing, Standard, Racing Genk, AZ Alkmaar, Hannover, West Bromwich en Brighton. Zijn specialiteit? Het werk op de flanken. “Mijn ouders zijn allebei geboren in België”, zo legde hij ooit uit over zijn afkomst. Mijn vader werkte bij Cockerill in Seraing, de grootste fabriek in de streek, tot ze sloot en hij werkloos werd. Hij heeft het nooit gemakkelijk gehad, net als mijn grootouders. Zij zijn mijn voorbeeld. Ik verdien geld, maar ik verspil het niet : alles wat ik doe, is doordacht. Ik weet wat hard werken betekent, zelfs al heb ik het stukken gemakkelijker omdat ik kan doen wat ik graag doe.”

Lucien Bianchi

Lucien Bianchi

© photonews

Lucien Bianchi, geboren als Luciano Bianchi in Milaan op 10 november 1934, is een Italiaanse racepiloot die tot Belg werd genaturaliseerd. Hij won de prestigieuze 24 Uren van Le Mans in 1968.
 
Luciano Bianchi kwam als kind mee met zijn vader naar België. Die was mecanicien van een Belgische racepiloot.
Hij reed meerdere seizoenen in de Formule 1, achter het stuur van een Cooper, Lola of Lotus. Hij verzamelde in totaal 6 punten en stond op het podium van de GP van Monaco in 1968. Hij schreef ook de 12 Uren van Sebring en de Tour de France Automobile op zijn naam.
Hij overleed tijdens een ongeluk op het circuit van Le Mans in 1969: tijdens de testritten ging hij met zijn Alfa Romeo T33 van de baan op de rechte lijn van Hunaudières en belandde tegen een telefoonpaal. Zijn wagen vloog in brand.
 
Lucien Bianchi is begraven op het kerkhof van Sint-Pieters-Woluwe.
Hij is de grootoom van de Franse piloot Jules Bianchi (kleinzoon van zijn broer Mauro) die in 2013 in de Formule 1 debuteerde bij Marussia en die overleed aan de gevolgen van een ongeval tijdens de GP van Japan in 2015, nadat hij maandenlang in coma lag.

Jérôme d’Ambrosio

Jérôme d’Ambrosio

© photonews

Deze Brusselse piloot met Italiaanse roots schopte het ook tot de Formule 1. Nu rijdt hij in de Formule E, de Formule 1 met elektrische wagens.
 
Hij won de manche in Marrakesh en staat er goed voor in het kampioenschap.
 
Hij praat nog altijd de taal van zijn voorouders en blijft een Italiaan in geest: “Mijn grootvader is Italiaan en ik heb twee jaar in Italië gewoond: dat was een periode waarin ik me goed amuseerde. Italië is prachtig om vele redenen: zijn natuur, zijn landschappen, zijn keuken en zijn inwoners die heel open zijn”, zo stelde hij.
 

Pino Cerami

Pino Cerami

© photonews

Giuseppe 'Pino' Cerami werd in 1922 geboren in Misterbianco, in de buurt van het Siciliaanse Catania, en stierf in 2014 in Gerpinnes. Deze wielerkampioen van Italiaanse origine werd in 1956 tot Belg genaturaliseerd. Hij verliet op zijn 5e zijn geboortegrond en kwam wonen in de streek van Charleroi waar hij nooit zou weggaan. In 1946 ging hij als onafhankelijke meerijden met de profs. 1960 werd zijn beste seizoen, met winst in Parijs-Roubaix en de Waalse Pijl, een bronzen plak op het WK in Sachsenring (voormalige DDR), achter Rik Van Looy en André Darrigade. Het jaar daarop won hij Parijs-Brussel en de Brabantse Pijl. In de Tour van 1963 won hij de 9e etappe tussen Bordeaux en Pau: hij werd zo de oudste naoorlogse ritwinnaar (41 jaar en drie maanden). Sinds 1963 wordt om hem te eren de GP Cerami georganiseerd. De man was heel bescheiden, wellicht te bescheiden. “Ik ben nooit rijk geweest, maar ik heb een mooi, gelukkig leven gehad”, zo zei hij in 2013.

Maar ook...

Maar ook...

© photonews

De lijst is lang en we hadden nog tientallen voetballers van Italiaanse afkomst kunnen citeren.
 
De supporters van Standard kennen naast aanvoerder Pocognoli wellicht ook de namen van Alain Bettagno, Arnor Angeli, de broers Bonomi, Corentin Fiore, Raphael Miceli, Roberto Sciascia of Roberto Bisconti. En dan hebben we het nog niet over Luciano D’Onofrio en Bruno Venanzi. De Vurige Stede kent immers een heel grote Italiaanse gemeenschap.
 
Ook in Charleroi doen de namen Georget Bertoncello, Antonio Tosini, Alessandro Cordaro, Massimo Bruno, Fabrice Silvagni, Calogero Taibi, Giuseppe Varrichio, Pietro Perdichizzi en Marco Casto een belletje rinkelen.
 
Naast Proto en Scifo bracht La Louvière ook Savatore Curaba, Bettagno en Silvagni tussen de lijnen.
 
In Genk lieten Domenico Olivieri of Marco Ingrao hun sporen na bij de supporters, in een streek dat ook een mijnverleden kent.

Top